Ik schrijf een tweemaandelijkse column in het oudste Nederlandse natuurtijdschrift De Levende Natuur. Je kunt hieronder mijn columns lezen!
Tech-optimist (januari 2026)
Ik ben een tech-optimist. Ik denk namelijk dat de ontwikkeling van nieuwe technologie ons gaat helpen om de wereld schoner, duurzamer, welvarender en mooier te maken voor iedereen. Dan denk ik aan het ontwikkelen en opschalen van kweekvlees en microfermentatie om eiwitten te produceren die precies gelijk zijn aan dierlijke eiwitten, maar dan zonder de negatieve aspecten daarvan. Of aan het ontwikkelen van technologieën voor betere recycling van plastics en textiel, of voor transport en opslag van waterstof. Maar ook aan de ontwikkeling van slimme sensoren en AI, om de biodiversiteit van planten, zoogdieren, vogels en insecten om ons heen te monitoren. In ‘De Splijtzwam’ uit de vorige editie van dit blad, neigde ik dan ook naar de pro-kant.
Volgens mij zijn heel veel meer mensen tech-optimist. Onze – inmiddels demissionaire – minister voor Klimaat en Groene Groei staat ook voor groei die mogelijk wordt gemaakt door duurzame technologie. In die wereld moeten de stikstofemissies gereduceerd worden door technologische innovaties als de Lelysphere, die mest en urine scheidt, en ammoniak afzuigt en omzet in een soort kunstmest. Voor landbouw, energie en klimaat, en zelfs defensie zou het dan ook goed zijn om weer te gaan investeren in onderwijs en onderzoek om die innovaties mogelijk te maken.
Universiteiten, die de broekriem moeten aanhalen als gevolg van de extreme bezuinigingen door het vorige kabinet, proberen nu een graantje mee te pikken van de fondsen die zich op technologie richten. Ook onze faculteit wil volop inzetten op technologie. Als biodiversiteitsinstituut staan we volgende maand op een ‘deep tech markt’ die gericht is op bedrijfsleven en andere betrokkenen. Daar laten we onder andere technologie zien voor biodiversiteitsmonitoring en voor het minder doorlatend maken van bodems om het weglekken van vervuiling te minimaliseren.
Toch zit er ook een keerzijde aan al dat enthousiasme. Voordat we technologische oplossingen kunnen bedenken die bijdragen aan het beschermen of herstellen van natuur, moeten we eerst begrijpen hoe de natuur werkt. Daarvoor hebben we experimenten in de echte wereld nodig, en een begrip van de causale verbanden in een systeem – iets wat AI ons niet zal geven. En met de huidige focus op technologsche oplossingen, verschuift de aandacht, en dus geld, voor fundamentele wetenschap naar de achtergrond. Een signaal hiervan zijn de met sluiting bedreigde studies Aardwetenschappen aan de Vrije Universiteit in Nederland en aan de University of Leicester in Engeland.
Bovendien focussen veel technologische oplossingen op het oplossen van één deelprobleem, terwijl veel van de problemen waar we als maatschappij voor staan, samenhangen en dus een integrale aanpak vragen. Die Lelysphere die wel de stikstofuitstoot uit de stal vermindert, maar niks verandert aan de andere problemen die de veestapel in en buiten Nederland veroorzaakt is wat dat betreft een goed voorbeeld.
Ik ben bang dat we vooral tech-optimist zijn wanneer technologie betekent dat we niet hoeven te veranderen.
Het grasland is dood, leve het grasland! (november 2025)
Ik hou van gras!
In mijn jeugd in Friesland renden we door de weilanden, sprongen over slootjes, kauwden op zuring en zochten kievitseieren. Ik bouwde forten van hooibalen en ben in de grupstal van mijn grootouders ook wel eens in de grup (goot) gevallen.
Inmiddels doe ik onderzoek naar graslanden en schreef ik op deze plek al eens een ode aan grasland. Het beslaat grofweg een kwart van ons landoppervlak, maar veel van het grasland dat ik nu om mee heen zie lijkt niet meer op het grasland van toen.
Zo’n beetje alle grote uitdagingen waar ons land voor staat, vragen om ruimte. De stikstofdepositie moet naar beneden, we willen klimaatdoelen halen, de landbouw verduurzamen, de energietransitie versnellen én we willen meer biodiversiteit. Dus willen we bossen aanplanten, zonne- en windparken aanleggen, gezond voedsel produceren op een duurzame manier voor een groeiend aantal mensen. We willen huizen bouwen van liefst van bio-based materialen, waarvoor we dus ook hout moeten telen. We moeten ons aanpassen aan de effecten van klimaatverandering en, oh ja: we willen ook nog ‘wilde natuur’.
Op wereldschaal neemt landbouw bijna de helft van het totale oppervlak van de vruchtbare grond in beslag. Het World Resources Institute voorspelt dat daar in 2050 een oppervlak zo groot als twee keer India bijkomt als we niks veranderen. Die ruimte gaat ten koste van natuur. Het WRI heeft ook een oplossing: méér voedsel produceren op minder land. Wereldwijd wordt 80% van de landbouwgrond gebruikt voor de productie van veevoer, dus een meer plantaardig dieet zou al wonderen doen. Als de hele wereldbevolking veganist zou worden zouden we het landgebruik voor voedselproductie kunnen verminderen met maar liefst 75%.
Ook in Nederland heeft de landbouw de helft van het landoppervlak in gebruik, en daarvan nemen grasland en voedergewassen verreweg de meeste ruimte in. Graslanden doen meer voor de bodem, de biodiversiteit, de waterkwaliteit en de CO2-opslag dan akkers. Toch zijn graslanden daar weer een stuk minder goed in dan natuur. Grasland dat de biodiversiteit écht bevordert, dat wordt zo extensief beheerd dat het eigenlijk natuur is. Heel anders dus, dan het grasland waar Nederland vol mee ligt; dat is een monocultuur die zwaar bemest wordt, doorkruist met sloten die in niks lijken op de oude schoolplaat van een sloot die in mijn woonkamer hangt. Het is nu vooral grasland ten behoeve van een intensieve veehouderij die bijdraagt aan het stikstofprobleem en aan klimaatverandering.
Het is dus een no-brainer om minder vee te houden en wat van dat intensieve grasland om te zetten naar extensief grasland of natuur. Maar wat mij betreft is het ook een no-brainer om in gebieden met genoeg water en vruchtbare bodems wat van dat grasland om te zetten naar hoogwaardige teelten voor menselijke consumptie. Want dat kleine beetje verlies aan bodemkwaliteit en CO2 opslag daar, wordt ruimschoots gecompenseerd door meer natuur elders, en door minder broeikasgas- en stikstofemissies door minder vee.
Niet alles zou overal moeten zijn (september 2025)
‘Alles is overal, maar het milieu selecteert’. Deze, voor microbiologen beroemde woorden van Professor Lourens Gerhard Marinus Baas Becking, komen uit het boek ‘Geobiologie of inleiding tot de milieukunde’ uit 1934. Hij bedoelde dat al het microbiële leven overal over de wereld voorkomt, maar dat het alleen tot uiting komt, en waarneembaar is op plekken waar de omgeving geschikt is. Volgens Baas Becking konden alle micro-organismen zich dus ongelimiteerd door de lucht verspreiden; hij noemde dat ‘lucht plancton’.
Inmiddels is het duidelijk dat ook de verspreiding van micro-organismen wel degelijk biogeografische patronen heeft. Dat betekent dat een bodem met dezelfde zuurgraad en dezelfde hoeveelheid organische stof – belangrijke factoren voor het bepalen welke bacteriën ergens voorkomen – op twee verschillende plaatsen toch een verschillende gemeenschap van bacteriën kan hebben.
Ik moest aan de woorden van Baas Becking denken na het lezen van de vorige Splijtzwam uit De Levende Natuur. Daarin waarschuwt florist Nils van Rooijen voor het ongelimiteerd verplaatsen van planten, en daardoor voor het ongewild homogeniseren van populaties die aangepast zijn aan het lokale milieu. Het inzaaien van wegbermen met overal dezelfde kleurige, ‘bijenvriendelijke’ bloemenmengsels, heeft geleid tot de verspreiding van soorten naar plekken waar ze van oorsprong niet voorkomen. En ook de inmiddels extreem lastige, invasieve exoten als Japanse duizendkoop en reuzenbalsemien zijn een paar honderd jaar geleden geïntroduceerd als tuinplant.
Aan die waarschuwing van florist Van Rooijen zou ik graag eenzelfde waarschuwing willen toevoegen voor het – moedwillig of niet – verspreiden van micro-organismen. Al decennialang worden er flessen met ‘effectieve micro-organismen’, of zaden met een coating van mycorrhiza-schimmels verkocht. Die zouden dan een positief effect hebben op plantengroei en bodemgezondheid. Inmiddels is de markt voor dat soort microbiële producten voor de landbouw gigantisch. Het gebruik van micro-organismen voor natuurherstel groeit ook.
Ik kan het alleen maar toejuichen dat het belang van bodemmicro-organismen voor het functioneren van ecosystemen steeds meer wordt erkend. Maar laten we de ogen niet sluiten voor de risico’s die verbonden zijn aan het gebruik van dit soort producten. We zouden er niet aan denken om zomaar een kudde gemzen los te laten op de Veluwe. Waarom knipperen we dan niet eens met onze ogen als we micro-organismen in het rond strooien?
Hoewel veel van die mengsels niet eens levensvatbare micro-organismen bevatten, bestaan de mengsels die wel werken vaak uit ‘elite’ bacteriën die zich kunnen handhaven in veel verschillende omstandigheden. Daar zou dus best een invasieve exoot tussen kunnen zitten. Maar ook het ‘inoculeren’ van natuurbodems met strooisel of bodems uit intacte referentiegebieden kan wel eens resulteren in het homogeniseren van het bodemleven. Om echt gericht het bodemleven te herstellen zouden we dus veel meer van de biodiversiteit in onze bodems moeten weten. Want één ding is alvast zeker: de ene bodem is de andere niet.
Fotogeniek (juli 2025)
Misschien heeft u het wel gezien, een paar weken geleden, de koppen in de kranten en de berichten op het nieuws dat meer dan 80% van de koraalriffen onder hittestress lijden en daardoor verbleken. Ik kreeg pijn in mijn buik van de beelden van verbleekt, wit, dood koraal. En vele mensen met mij – het bericht werd volop gedeeld op social media. Logisch ook, want koraalriffen zijn een van de meest magische, aansprekende, en ook belangrijke ecosystemen in de oceaan: ze herbergen wel een kwart tot een derde van alle mariene soorten. Daarbij is het een van de meest dramatische en zichtbare effecten van klimaatverandering op de biodiversiteit: het verbleken en afsterven van koraal is één-op-één het gevolg van warmer zeewater.
Terecht dus, die aandacht voor koraalriffen, maar toch bekroop mij de gedachte “was er maar zoveel aandacht voor andere, minder fotogenieke, minder zichtbare soorten en ecosystemen”. Want ook daarmee gaat het niet goed, maar daarvan zien we veel minder duidelijk wat de effecten van klimaatverandering zijn, en van al die andere, sluipende en vaak onzichtbare, bedreigingen. De meeste van onze aandacht gaat uit naar de soorten die aansprekend zijn, die we makkelijk kunnen zien en kunnen tellen: de vogels, amfibieën, zoogdieren, reptielen en vissen. Terwijl die soorten maar 1% uitmaken van alle soorten meercellige organismen in Nederland!
Natuurlijk zijn veel van die aansprekende soorten een kanarie in de kolenmijn – als het niet goed gaat met weidevogels kan dat betekenen dat er iets niet in de haak is met de insecten waarvan ze afhankelijk zijn. Maar tegen de tijd dat we die effecten zien boven in het voedselweb is het eigenlijk al te laat. De soorten die de basis van het voedselweb vormen, van al het leven in het water en op het land, zoals schimmels, nematoden, wormen, korstmossen, weekdieren, sponzen, en microalgen om er maar een paar te noemen, daar weten we bijna niks over. We kunnen ze niet makkelijk zien, en ze zijn niet mooi of schattig. Er worden geen films over gemaakt, en er komen geen toeristen op af. Terwijl 59% van alle soorten wereldwijd in de bodem leeft, naar schatting 60 tot 70% van de Europese bodems niet gezond is, en slechts 14% van de beoordeelde Nederlandse wateren van goede kwaliteit is. Waarom zie ik daar geen headlines over?
Intussen gaan we door met onze bodem en oppervlaktewater te vervuilen met PFAS, pesticiden, stikstofdepositie en -uitspoeling, microplastics, medicijnresten, en zelfs ‘goedgekeurde’ bouwmaterialen als staalslakken. Uit nieuw onderzoek blijkt dat het effect van opgestapelde verstoringen sterker is dan het opgetelde effect van die individuele verstoringen – ze versterken elkaar dus. Tel daarbij op de toenemende hitte, droogte, overstromingen, en verzilting door klimaatverandering en je kunt wel stellen dat zich een stille ramp voltrekt buiten ons gezichtsveld.
Ik zou willen dat er meer aandacht was voor de onzichtbare, minder fotogenieke biodiversiteit. Misschien zou dat onze ogen openen en zouden we de bescherming van onze bodems en wateren serieuzer nemen.
Record-droog! (mei 2025)
Op het moment dat ik dit schrijf, krijg ik op mijn hardlooprondjes door park, weiland, en bos geen modderige schoenen meer. We hebben het gazon in onze achtertuin nog niet hoeven maaien, en voor veldwerk pak ik niet eens mijn regenkleding in. Dat komt omdat maart record-droog was. In totaal viel er gemiddeld over het land maar 6 millimeter regen, vergeleken met normaal 52 millimeter, en dit maakt maart de droogste maart in 100 jaar.
Die droogte is misschien voor veel mensen wel even lekker na het natte 2024, maar is geen goed nieuws voor de natuur. Droogte komt steeds vaker voor door klimaatverandering, en omdat ons land van oudsher ingericht is op het afvoeren en niet op het vasthouden van water herstelt het grondwater zich niet of zeer langzaam. Zo kan het dat terwijl 2024 een uitzonderlijk nat jaar was, de grondwaterstanden nu, met uitzondering van lokale natte gebieden, snel dalen. De gevolgen zijn vooral voor natte natuur desastreus: beken en sprengen drogen op en hoogveen droogt uit. Hierdoor kunnen lokale populaties van beschermde soorten als beekprik en speerwaterjuffer verdwijnen.
Maar ook natuur die best goed tegen droge omstandigheden kan lijdt onder de toenemende droogte. Vooral op de hogere zandgronden herstellen grondwaterstanden nauwelijks, en zorgen onttrekkingen door de landbouw voor nog minder water voor de natuur. Door de opeenvolging van droge jaren zoals we die zagen voor 2024 sterven zelfs planten die goed tegen droogte kunnen, zoals eiken en struikheide. Dit komt niet alleen door de onmiddellijke effecten van een tekort aan water, maar ook door opgebouwde schade die de plant minder weerbaar maakt. Als een boom al minder weerbaar is vanwege een verzuurde bodem – die zorgt voor een tekort aan bepaalde mineralen – dan kan een droogte net dat laatste zetje zijn. Andersom zorgt droogte ervoor dat de plant een verminderde afweer heeft en pesten en plagen, zoals schimmels, bastkevers, en letterzetters, hun slag kunnen slaan. Daarbovenop zien wij in ons onderzoek dat droogte de levensgemeenschappen van schimmels en bacteriën onder de grond permanent kan veranderen, wat weer gevolgen heeft voor de samenwerking met, en groei van, planten. Bovendien zorgt droogte voor een flinke toename in natuurbranden. Al deze effecten van droogte zorgen ervoor dat planten minder groeien, de natuur minder CO2 uit de lucht opneemt, en bodems minder CO2 vasthouden. Dit zorgt voor hogere CO2 concentraties in de atmosfeer, en heeft dus een versterkend effect op klimaatverandering.
Het is dus van groot belang dat we de natuur weerbaarder maken tegen droogte, door andere verstoringen die de natuur minder weerbaar maken en het bodemleven aantasten, zoals stikstofdepositie, te verminderen. Maar het allerbelangrijkste is om de natuur óók mee te laten tellen in de verdeling van het water. Zodat ik hopelijk snel weer modderige schoenen krijg op mijn hardlooprondjes.
Landbouw tegen of met natuur? (maart 2025)
Het lijkt wel alsof landbouw en natuur steeds meer tegenover elkaar komen te staan. Mensen in het ‘natuurkamp’, waar ik mezelf overigens ook toe reken, schilderen boeren steeds meer af als kwaadaardige natuurverpesters, terwijl mensen in het landbouwkamp, waar ik toch ook affiniteit mee heb (al was het maar vanwege mijn afkomst – mijn pake was melkveehouder in Friesland), natuurliefhebbers afschilderen als wereldvreemde dromers die koste wat het kost elk zeldzaam plantje willen beschermen. Ik weet niet of de spanning tussen landbouw en natuur ergens groter is dan in ons kleine, volgepakte landje, waar we de meeste dieren houden per vierkante kilometer in Europa, en waar slechts 9% van het landoppervlak beschermd Natura 2000 gebied is.
Toch is ook in ons kleine land de landbouw altijd verweven geweest met de natuur. De eerste boeren in Nederland kapten lindenbos op de hoger gelegen Limburgse lössgronden om akkers aan te leggen. Ze deden aan shifting cultivation, waarbij een stuk bos werd gekapt, een aantal jaren werd geboerd op de vrijgekomen grond, en weer een nieuw stuk bos werd gekapt als het eerste stuk grond was uitgeput. In het lagergelegen rivierengebied werden de voedselrijke stroomruggen gebruikt als akkers, waarbij de voedingsstoffen onttrokken door het gewas werden aangevuld door periodieke overstromingen met voedselrijk rivierwater. Pas in de late bronstijd is er bewijs dat vee op stal werd gehouden, met als groot voordeel dat de mest kon worden verzameld en uitgespreid op de akkers. Daarna werden ook de zoutmoerassen van Groningen en Friensland gebruikt, met seizoensgebonden begrazing rondom de terpen. Zo bepaalde het landschap welke vorm van landbouw waar kon.
Maar de landbouw begon ook het landschap te veranderen. Op de zandgronden werd lange tijd strooisel van bos en hei gebruikt om de akkers vruchtbaar te maken. Met de opkomst van de potstalcultuur werd dit intensiever: gestoken plaggen werden gebruikt in de potstal zodat het vee niet wegzakte, en mest en plaggen werden verspreid op de essen, die daardoor steeds hoger kwamen te liggen. Maar bodem en vegetatie van de woeste gronden herstelden zich niet snel genoeg na het steken van plaggen, waardoor een steeds groter gebied hiervoor werd gebruikt. Ook werd de begrazing door schapen intensiever door de toegenomen vraag naar wol. Zo was op een gegeven moment wel tien hectare woeste grond nodig om één hectare akker te bemesten. Of neem de boekweitbrandcultuur, waarbij veen werd losgehakt en in de brand gestoken, alvorens het geschikt was om boekweit op te telen. Zo werden enorme oppervlaktes veen letterlijk opgebruikt.
Vaak denken we dat de landbouw vroeger duurzamer was dan nu. Maar de grootste impact van landbouw op de natuur is via het ontginnen van landbouwgronden, en die vroege landbouw gebruikte letterlijk ecosystemen op. Vaak vinden we die opgebruikte ecosystemen nu zelfs mooi – denk aan de hei. De realiteit is, dat landbouw en natuur altijd verweven zijn geweest, en dat een landbouw die niet op de een of andere manier slecht is voor de natuur niet bestaat. Het is zoeken naar een landbouw die in het landschap past, en daarbuiten zo weinig mogelijk natuur aantast – en dat moeten we samen doen.
Dé gezonde bodem bestaat niet (januari 2025)
‘Een gezonde bodem is superbelangrijk!’ Dat is inmiddels de reactie die ik vaak krijg als ik vertel dat ik bodemecoloog ben, en de interacties tussen planten en bodemorganismen onderzoek. In de meer dan twintig jaar dat ik onderzoek doe naar bodembiodiversiteit is er nog nooit zo veel aandacht geweest voor het belang van een levende, goed functionerende bodem.
Die aandacht is terecht en mooi. Maar sta mij toe om toch een misvatting recht te zetten over wat een gezonde bodem nou precies is.
De meeste mensen denken bij een gezonde bodem waarschijnlijk aan een rijke, donkere, kruimige bodem met wormen, pissebedden, duizendpoten, schimmeldraden en wat voor beestjes allemaal niet meer, krioelend van het leven. Maar dit is maar één voorbeeld van een gezonde bodem.
Als je erover nadenkt dat de ondergrondse biomassa van plantenwortels en bodemorganismen, en hun diversiteit, minstens net zo groot is als die boven de grond, dan is een gezonde bodem eigenlijk gewoon: de gezonde ondergrondse helft van om het even welk ecosysteem. En net zoals er niet één gezond ecosysteem is, net zoals je niet kunt zeggen dat een bos gezonder of minder gezond is dan een grasland of een heide of een hoogveen, zo is het ook niet mogelijk om één gezonde bodem te karakteriseren.
Dat beperkte beeld van een gezonde bodem komt waarschijnlijk voort uit de focus van bodemecologen op landbouwbodems. Dat is logisch, want intensieve vormen van landbouw verminderen de diversiteit van bodemorganismen. Bodemecologen maken hun onderzoek ook graag relevant door het belang van gezonde bodems voor voedselproductie te benadrukken.
Die focus op landbouwbodems heeft er ook voor gezorgd dat het algemene beeld van een gezonde bodem veel te simplistisch is geworden. De eigenschappen en functies die wij waarderen in een landbouwbodem, zijn een wereld van verschil met de eigenschappen en functies die een bodem onder bijvoorbeeld een heideveld of een bos moet hebben. Sterker nog, de ecosystemen die het meest onder druk staan zijn juist de arme ecosystemen, waarin de planten en de bodemorganismen zijn aangepast aan schrale bodems. In deze bodems kan juist minder, maar misschien wel belangrijker, unieker, en zeldzamer bodemleven zitten dan in rijke landbouwbodems.
Toch weten we veel minder over de bodembiodiversiteit onder die natuurlijke ecosystemen. De ondergrondse helft van ecosystemen wordt niet structureel gemonitord en behalve een paar abiotische kenmerken – een inschatting van de pH en voedselrijkheid – worden bodems nog steeds niet meegenomen in de beoordeling van de kwaliteit van habitattypen.
‘Dé gezonde bodem’ bestaat niet. Het feit dat we het hier nog steeds over hebben, geeft aan hoever de wetenschap van de ondergrondse ecologie nog steeds achterloopt op die van de bovengrondse ecologie. Nu we ‘De bodems is belangrijk’ wel tussen de oren beginnen te krijgen, is het dus hoogtijd om die bodems te gaan zien voor wat ze echt zijn: heel veel verschillende ondergrondse delen van evenzoveel ecosystemen, met net zo veel variatie als bovengronds.
Natuur, ook nieuwe, is altijd in beweging (november 2024)
Mensen houden niet van verandering. We houden alles het liefst bij het oude, en vroeger was alles beter. Dat geldt ook voor de natuur: veel natuurbeleid en -beheer is erop gericht om terug te brengen wat we ooit hadden, en om vast te houden wat er nu op een specifieke plaats voorkomt. Dat is ook niet zo gek, want veel soorten en ecosystemen zijn verdwenen of verarmd vanwege menselijke invloed, en veel huidige natuur wordt bedreigd. Daarbij is het belangrijk om scherp te houden hoe de natuur verarmd is in de afgelopen decennia, want door het ‘shifting baseline’ verschijnsel vergeten we snel hoe het was en vinden we wat we nu om ons heen zien – een landschap met veel minder vogels en insecten dan vroeger – normaal.
Tegelijkertijd is de natuur altijd in beweging, en kan dit terugverlangen naar vroeger nieuwe natuur in de weg staan. Want óók onverwachte nieuwe natuur, die ontstaat als gevolg van menselijk handelen en waar soortencombinaties voorkomen die nooit eerder gezien zijn, kan bijzonder en divers zijn, functioneren als een geheel, en diensten leveren als recreatie en CO2-opslag. Deze zogeheten ‘novel ecosystems’ staan volop in de belangstelling. Toch is er veel kritiek – bijvoorbeeld dat het concept van novel ecosystems een excuus geeft voor het dumpen van afval en het om zeep helpen van bestaande natuur – en zorgt deze nieuwe natuur ook voor dilemma’s.
Ik moet dan altijd denken aan een gebied vlakbij Manchester waar ik – toen ik daar nog werkte – met studenten naar toe ging voor het vak Urban Biodiversity. Hier stond in de negentiende eeuw een fabriek die schoonmaaksoda, natriumcarbonaat, door middel van het Leblanc proces produceerde voor de lokale katoenindustrie. De grote hoeveelheden extreem alkalisch afval die bij dit proces vrijkomen werden gedumpt naast de fabriek. Nadat de fabriek stopte in 1885 bleef deze dumpplaats nog jarenlang onbegroeid, totdat – zo gaat het verhaal – op een dag kinderen thuiskwamen met de meeste bijzondere orchideeën in hun zelf geplukte boeket. De zeer hoge pH had gezorgd voor een zeer ongebruikelijke plantengemeenschap, en de site werd aangewezen als beschermde natuur. Maar als gevolg van natuurlijke processen wordt de bodem steeds minder alkalisch, en zit het gedumpte afval steeds verder van het maaiveld, waardoor de bijzondere soorten langzaam verdwijnen. Als je het bodemprofiel opboort (wat ik altijd deed tijdens de excursie) zie je op een meter diepte nog steeds het paars-witte afval, waar je brandwonden van krijgt als je het zonder handschoenen aanraakt. Zonder beheer verliezen we dus ook dit bizarre ecosysteem.
Het grappige is, dat veel van de natuurgebieden die we nu met man en macht proberen te behouden, óók gemaakt zijn door mensen, en dus eigenlijk novel ecosystems zijn. Denk aan de heidevelden die ontstaan zijn door overbegrazing en plaggen.
Novel ecosystem Nationaal Park Nieuwland is niet per ongeluk tot stand gekomen maar is zorgvuldig ontworpen. Ook deze nieuwe natuur heeft gezorgd voor een verrassende en bijzondere biodiversiteit, en ook hier blijkt blijvend beheer, en aanpassing van dat beheer, nodig om die natuur te behouden. En zo zijn we toch weer terug bij af!
Een ode aan graslanden (september 2024)
In mijn onderzoek kijk ik naar interacties tussen planten, bodems, en bodemorganismen, en wat de gevolgen voor die interacties zijn van klimaatverandering, stikstofverrijking, of veranderend landgebruik. Veel van dat onderzoek gebeurt in graslanden, omdat graslanden in een relatief klein oppervlak verschillende plantensoorten hebben, en je makkelijk de samenstelling van die soorten makkelijk kunt manipuleren, bijvoorbeeld door in potten planten in verschillende combinaties en aantallen te planten. Bovendien kan je een gras, kruid, of klaver in z’n geheel ‘oogsten’ en zo de biomassa bepalen, en je kunt ook de grond van het hele wortelstelsel afwassen met water en daar vervolgens metingen aan doen, bijvoorbeeld aan de micro-organismen die aan de wortels vast zitten. Probeer dat maar eens met een boom!
Toch komen graslanden er vaak een beetje bekaaid af. Als we het hebben over biodiversiteit of de opslag van CO2 gaat het meestal over bossen. Maar graslanden vind je op 40% van het aardoppervlak, en die graslanden houden een derde van de totale koolstofvoorraad op het land vast. Die koolstof zit bij graslanden vooral in de bodem, waar het veel langduriger is vastgelegd, omdat het grootste deel van de biomassa in grasland onder de grond zit. Ze huisvesten een enorme biodiversiteit, niet alleen van plantensoorten, maar ook insecten, bodemorganismen, grazers, en roofdieren. Bovendien leveren ze een reeks aan ‘diensten’ aan mensen, waaronder het weiden van vee, en het huisvesten van bestuivers. Helaas worden wereldwijd graslanden bedreigd door overbegrazing, landconversie, vermesting, invasieve soorten, het stoppen van management zoals begrazing en maaien, en klimaatverandering.
Reden genoeg dus om graslanden te onderzoeken. En als ik het over graslanden heb, dan heb ik het dus niet alleen over productiegraslanden, zoals we die in Nederland overal om ons heen zien, en waar je maar aan paar soorten in vindt. Nee, mijn hart gaat pas echt sneller kloppen van een soortenrijk, natuurlijk of half-natuurlijk grasland.
Voor mijn onderzoek belandde ik een paar weken geleden in Estland om grondmonsters uit beschermde graslanden te steken voor een Europees project over bodembiodiversiteit. Zo kwam ik er achter dat Estland het walhalla van soortenrijke, eeuwenoude graslanden is! In Estland is een groot gedeelte van deze zogenaamde ‘heritage grasslands’ bewaard gebleven, en hebben nu een strikt beschermde status. Het bijzondere aan deze graslanden is dat ze voor zover de overlevering gaat altijd grasland zijn geweest. Eeuwenlang zeer extensieve begrazing of maaien heeft de bijzondere omstandigheden gecreëerd waardoor een enorme rijkdom aan plantensoorten samen kan bestaan – de bodems zijn nooit geploegd of bemest, en voor sommige soorten duurt het eenvoudig eeuwen voordat ze arriveren en zich kunnen handhaven. De meest bijzondere graslanden zijn de alvar graslanden, karakteristiek voor de kustgebieden van Estland en Zweden en een unieke combinatie van soorten hebben door de dunne bodems en de extreme wisselingen in temperatuur. Daarnaast huisvesten de traditionele ‘wooded meadows’ de hoogste plantensoortendichtheid ter wereld: 46 soorten in een vierkantje van 20 bij 20 cm waaronder de meest zeldzame orchideeën! Deze soorten hebben zich over de eeuwen aangepast aan deze bijzondere omstandigheden, en zijn op hele lokale schaal ge-co-evolueerd met elkaar en het bodemleven.
Maar bovenal zijn deze graslanden vooral onvoorstelbaar mooi, en ik prijs me gelukkig dat ik in de positie ben om onderzoek te doen aan deze unieke ecosystemen.
Belangrijke natuur (juli 2024)
Als u dit leest is het alweer twee maanden geleden dat de formerende partijen met het hoofdlijnenakkoord kwamen. Daar is al heel veel over gezegd, en er valt nog veel meer over te zeggen. Maar wat het akkoord betekent voor de natuur in Nederland, daar is – in elk geval op het moment dat ik dit schrijf – nog niet zoveel over gezegd. Dat komt misschien omdat er niet zoveel over natuur in het akkoord staat. Maar in die weinige woorden vallen mij een paar zaken op.
In de inleidende paragraaf in het hoofdstuk over landbouw, tuinbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur staat dat “niet gestuurd wordt op gedwongen krimp van de veestapel, maar op instandhouding van belangrijke natuur”. Er zit veel opgesloten in die zin. Ten eerste impliceert die een tegenstelling tussen de veestapel en natuur. Die tegenstelling is er natuurlijk, want stikstofuitstoot door de veestapel heeft een negatief effect op de natuur. Maar de zin impliceert ook dat natuurbescherming alleen maar een conflict heeft met stikstofdepositie uit de veehouderij, terwijl er natuurlijk veel meer drukfactoren zijn. Veel hiervan hebben te maken met de landbouw, zoals grondwateronttrekkingen bijvoorbeeld en het gebruik van pesticiden, maar ook bebouwing, stikstofuitstoot door industrie en verkeer, en vervuiling met “nieuwe” vervuilende stoffen zoals PFAS, microplastics, en medicijnresten. De zin impliceert dat het eigenlijk alleen relevant is om het te hebben over natuurbescherming in de context van de stikstofcrisis. Het hele onderwerp van natuurbescherming wordt platgeslagen tot een conflict tussen veehouderij en natuur.
Niet zomaar natuur – belangrijke natuur. Maar wat dat is wordt verder niet gedefinieerd. Wat er wel wordt gezegd is dat “natuurgebieden herijkt moeten worden, dat waar nodig aan instandhouding wordt gewerkt, dat er robuuste natuurgebieden moeten komen (geen snippernatuur), dat die natuur landbouwinclusief moet zijn, en dat de daadwerkelijke staat van de natuur leidend moet zijn”.
Als ik dit lees, dan denk ik dat die belangrijke natuur eigenlijk vooral natuur is waar je geen last van hebt. Natuur die zich buiten de grenzen van de stad en de boerderij bevindt, die zich gedraagt en geen overlast veroorzaakt. Natuur ondergeschikt aan de mens, in dienst van de mens, waar je mee kunt doen wat je wilt, die je kunt temmen en in een hokje stoppen. Robuuste natuur die het helemaal niet nodig heeft om beschermd te worden, want die kan best tegen een stootje! Die kwetsbare natuur, die is een beetje sneu en is het beschermen niet waard. Nee, wat we moeten beschermen is hoogwaardige landbouwgrond! Daarmee kunnen we tenminste een goede boterham verdienen.
Het gebruik van het woord belangrijk heeft hier eigenlijk maar één boodschap, namelijk dat de beoogde coalitiepartijen natuur helemaal niet belangrijk vinden. Natuur staat eigenlijk alleen maar in de weg van landbouw. Wanneer dring het besef door dat óók de landbouw afhankelijk is van de rijkdom van de natuur?
Steenmeel is géén no-brainer (mei 2024)
Een stevige vulkaanuitbarsting, een stofstorm, of een fikse aardverschuiving. Soms zou je er gewoon naar verlangen. Een dikke overstroming met kalkrijk rivierwater mag ook, want dat zijn allemaal oplossingen die de natuur heeft bedacht wanneer een ecosysteem te zuur dreigt te worden en wanneer belangrijke mineralen uitspoelen.
En verzuurd is het, in Nederland! Door jarenlange stikstofdepositie zijn vooral de hogere zandgronden de pineut, omdat die van nature al relatief zuur en voedselarm zijn. Voedingsstoffen en mineralen die normaal vastgehouden worden door bodemdeeltjes. komen makkelijk los en spoelen uit als gevolg van verzuring door alle stikstof uit mest, verkeer en industrie. Omdat er wel genoeg stikstof in de bodem beschikbaar is als gevolg van depositie, maar andere belangrijke mineralen uitgespoeld zijn, ontstaat er een onbalans in essentiële voedingsstoffen voor planten, micro-organismen en dieren. Bovendien kan toxisch aluminium uit bodemmineralen beschikbaar komen door verdergaande verzuring en zetten we zo complete ecosystemen op hun kop met als ons stikstof.
Je mag hopen dat er een keer maatregelen genomen gaan worden om de nog steeds doorgaande stikstofdepositie te verminderen, maar helaas herstellen deze bodems niet vanzelf. Veel gebruikte maatregelen als plaggen, maaien, of begrazen helpen wel om de overmaat aan stikstof te verwijderen, maar ze verwijderen ook andere voedingsstoffen en herstellen dus niet de balans.
In ons volgebouwde Nederland is natuurlijk geen plaats meer voor een overstroming met kalkrijk rivierwater, laat staan voor een aardverschuiving. Maar Nederlanders zijn inventief, dus hebben we een oplossing gevonden: we kunnen gewoon zelf die nieuwe mineralen toedienen! In de vorm van steenmeel, een restproduct uit steengroeves, dat we met helikopters uitstrooien over de meest verzuurde bossen en heidevelden. En het lijkt nog te werken ook! Bodems waar steenmeel aan is toegevoegd zijn minder zuur, en hebben een hogere beschikbaarheid van mineralen. Een no-brainer, zou je denken.
Toch heb ik hier als bodemkundige ernstige twijfels bij. Het toevoegen van vermalen gesteente is, in tegenstelling tot het weghalen of juist het introduceren van planten of dieren, iets wat nooit meer ongedaan kan worden. Ondertussen verandert het de eigenschappen van een bodem onherstelbaar. Ze hebben zich gevormd over tienduizenden jaren en zijn daarmee een testament van het klimaat, moedermateriaal, gletsjers, zandstormen, overstromingen en de invloed van vegetatie. Een bodemprofiel vertelt ons hoe een landschap is ontstaan. Het toevoegen van een gebiedsvreemd, vermalen moedermateriaal uit een heel andere regio verandert de integriteit van een bodem. Hoe kan het dat we honderd keer nadenken voordat we een soort introduceren maar niet eens met onze ogen knipperen voor we tonnen vermalen gruis uit Noorwegen of de Dolomieten uitstrooien?
Aan de andere kant zijn we verrukt als we in bodemprofielen bewijs vinden van historische menselijke activiteiten, bijvoorbeeld in de vorm van begraven plaggenbodems, waarin heideplaggen en andere grote hoeveelheden organisch materiaal gebruikt werden voor het vruchtbaar maken van akkers. Zouden mensen in de toekomst net zo naar het gebruik van steenmeel kijken? Ik weet het niet, maar laten we in elk geval goed nadenken voordat we op grote schaal steenmeel gaan strooien op onze bodems.
Schimmels zijn niet goed of fout, maar staan wel onder druk (maart 2024)
Schimmels. De meeste mensen hebben een negatieve associatie bij dat woord: schimmels in huis, op het eten, schimmelziektes zoals Aspergillus of Candida. Maar in de ecologie hebben schimmels nog nooit meer positieve aandacht gekregen dan nu. Bodemschimmels worden gevierd en gelauwerd: ze helpen planten bij het opnemen van voedingsstoffen, breken dood organisch materiaal af, en houden koolstof vast in de bodem. Er wordt ontzettend veel onderzoek gedaan naar de rol van bodemschimmels in ecosystemen, en ik heb er in De Levende Natuur al minstens twee columns over geschreven. Het belang van bodemschimmels is ook buiten de wetenschap doorgedrongen. Misschien kent u de boeken Finding the Mother Tree van Suzanne Simard, The Hidden Life of Trees van Peter Wohlleben, of Richard Powers’ The Overstory. Hierin worden bossen voorgesteld als altruïstische gemeenschappen, verbonden door ondergrondse schimmelnetwerken, waardoor individuele bomen voedingsstoffen met elkaar delen en elkaar waarschuwen voor dreigingen. Zo wordt deze bomen menselijke eigenschappen toegedicht, en wordt de natuur voorgesteld als een magische, liefdevolle, coöperatieve eenheid.
Je zou kunnen zeggen dat er niks mis mee is om de natuur zo voor te stellen – het zorgt er immers voor dat mensen de natuur waarderen en willen beschermen. Maar het creëert ook een sterk versimpeld beeld van de natuur, een illusie van een harmonieuze balans, wat een wensbeeld voedt van het type natuur dat we moeten beschermen. In de bodem is het, net als boven de grond, zowel eten of gegeten worden en pakken wat je pakken kan, als geven en nemen. De samenwerking tussen schimmels en planten is gebaseerd op ruilhandel, waarbij beide partners tot op zekere hoogte kunnen controleren hoeveel ze delen met de ander. De plant kan de schimmel afstoten als die niet genoeg voedingsstoffen aanlevert, en de rol van de schimmel kan zelfs omslaan van helper naar parasiet. En dan komen we al in de buurt van de rol van schimmelziekten in de bodem, die de plant aanvallen en zwakker maken, en daarmee snelgroeiende planten in bedwang houden, de plantendiversiteit vergroten, en zorgen voor een verandering, of successie, van plantengemeenschappen door de tijd. In werkelijkheid zijn negatieve interacties net zo belangrijk als positieve interacties voor het functioneren van ecosystemen, en zijn die ziekteverwekkende schimmels net zo belangrijk als de “goede” schimmels.
Het slechte nieuws is dat ál deze schimmels onder druk staan. Wereldwijde handel vergemakkelijkt verspreiding van schimmelziekten, terwijl de uitbreiding van de landbouw ten koste gaat van de variatie in schimmels en hun gastheren in natuurlijke ecosystemen, en ervoor zorgt dat schimmelziekten van landbouwgewassen sneller evolueren en zich sneller kunnen verspreiden door monoculturen in tijd en ruimte. Daarbovenop komt het toegenomen gebruik van fungiciden, zoals azolen, in landbouw en geneeskunde. Deze azolen komen ook in de bodem terecht, en zorgen daar voor een slechter functioneren van goede én slechte schimmels, wat – via effecten op bodemprocessen en plantengroei – op zijn beurt weer gevolgen heeft voor het functioneren van het ecosysteem. Maar een chronische blootstelling aan azolen zorgt ook voor het ontstaan van resistente ziekteverwekkende schimmels, die zich vervolgens weer gemakkelijker kunnen verspreiden. Bovendien gedijen deze schimmels beter onder de warme en vochtige omstandigheden die toenemen met klimaatverandering.
In plaats van ons blind te staren op de coöperatieve schimmels kunnen we ons dus ook maar beter bekommeren over de ziekteverwekkende schimmels in de bodem. Voor je het weet veranderen die van belangrijke schakels in het functioneren van ecosystemen in een pandemie.
Laat de bossen ouder worden (januari 2024)
Je hoort het mensen vaak zeggen: de natuur is het fundament onder ons bestaan en de basis van het functioneren van de aarde. Zonder leven geen landbouw, geen frisse lucht, geen schoon water: de ‘diensten’ die de natuur aan de mensheid levert. De aarde maakt leven mogelijk, maar de verscheidenheid van het leven maakt de aarde leefbaar. En die rol gaat veel verder dan die diensten aan de mens. Het leven op aarde is niet alleen een gevolg van hoe de aarde eruitziet, maar heeft ook een belangrijke rol gehad in het vormen van de aarde.
Het eerste leven ontstond zo’n 3,5 miljard jaar geleden. Dat waren simpele eencelligen, waarschijnlijk archaea die methaan produceerden. In die tijd was er weinig zuurstof en waren zowel CO2 als methaanconcentraties in de atmosfeer een stuk hoger dan nu. De evolutie van fotosynthese – het proces waarin CO2 uit de atmosfeer wordt omgezet in zuurstof – in eencellige cyanobacteriën zette de dingen op z’n kop. De methaanconcentratie kelderde en het zuurstofgehalte ging omhoog – zoveel zelfs dat allerlei leven dat aangepast was op de afwezigheid van zuurstof uitstierf. En toen de landplanten rond 450 miljoen jaar geleden ontstonden en zich uitbreidden ging de zuurstofconcentratie in de atmosfeer nog meer omhoog, en de CO2-concentratie omlaag. De landplanten, die zich vanaf dat moment uitbreidden tot in elke uithoek van het aardoppervlak, namen enorm veel CO2 op in hun biomassa – biomassa die nu onze fossiele brandstoffen vormt. Maar dat was niet het enige. De schimmels en de wortels van deze eerste landplanten zorgden voor de verwering van gesteente en bodemvorming – een proces wat ook zorgt voor de vastlegging van CO2. Als gevolg van deze processen ging het CO2 gehalte in de atmosfeer van wel tien keer zo hoog als nu naar ongeveer gelijk aan nu. Maar dat duurde wel 200 miljoen jaar!
Ook nu doen planten en bodems nog veel voor de leefbaarheid van onze planeet. De capaciteit van bossen en bodems om het CO2 gehalte in de lucht naar beneden te brengen, valt weliswaar in het niet bij wat die eerste planten en bodems deden. Toch is de nog onbenutte capaciteit van bossen om CO2 op te nemen, en dus klimaatverandering af te zwakken, enorm. Dat blijkt uit een recente studie. Bossen waar weinig menselijke verstoring is kunnen wereldwijd 139 gigaton extra koolstof opnemen, alleen maar door ouder te worden! Ter vergelijking: de uitstoot van koolstof uit fossiele brandstoffen was 11 gigaton koolstof in 2022. Laten we deze kans grijpen, laat de bossen met rust en laat ze ouder worden! Ze zijn het fundament onder ons bestaan.
Een eind aan tuinieren? (november 2023)
In Nederland hebben we veel natuur die ontstaan door menselijke activiteiten, of sterk door menselijke activiteit wordt beïnvloed. Dat is moeilijk te voorkomen in zo’n klein en dichtbevolkt land, waarbij er ook nog eens weinig grote aaneengesloten natuurgebieden zijn. En dus heeft veel van de Nederlandse natuur beheer nodig, om het historisch landgebruik waardoor die natuur ontstaan is te simuleren, om weggevallen natuurlijke processen te vervangen, of om de negatieve invloed van de mens te neutraliseren. Denk bijvoorbeeld aan het begrazen of plaggen van de heide, het afschieten van te hoge aantallen herten, het kappen van bomen of afgraven van vegetatie. Dit grootschalige ‘tuinieren’ is veel mensen een doorn in het oog.
Want ja, natuur is niet statisch. In een levend landschap duwen grote herbivoren bomen om, brengen grazers voedingsstoffen van rijke graslanden naar schaduwrijke rustgebieden, wordt heide langzaam bos, verliezen bodems hun voedingsstoffen en takelen bomen af, zorgen overstromingen, stofstormen, of vismigratie voor een toevoer aan voedingsstoffen, en begint het hele proces weer opnieuw op een kale plek in het bos. Het krampachtig in staat houden van een bepaald type natuur op een specifiek postzegeltje land vergt juist het tegengaan van deze natuurlijke processen.
Er is ook een andere visie op natuurbeheer, die minder focust op het in stand houden van een bepaald habitat op een bepaalde plek, maar juist poogt om natuurlijke processen te herstellen, en dan de natuur haar gang laat gaan. Ik ben zelf een groot voorstander van deze strategie, die rewilding genoemd wordt. Je zou denken dat de mensen die het meeste commentaar hebben op het huidige, statische natuurbeheer, rewilding zouden omarmen. Maar niets blijkt minder waar. Het vraagt de herintroductie van toppredatoren als de wolf en ‘ecosystem engineers’ als de bever, die het functioneren van het hele systeem kunnen beïnvloeden. Rewilding vraagt grote, aaneengesloten natuurgebieden, waarin dieren hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen. En het zijn juist de mensen die de meeste kritiek hebben op dat statische natuurbeheer die ook vinden dat de wolf niet thuishoort in Nederland. Die ook vinden dat we best wat minder beschermde natuur kunnen hebben in Nederland, en dat de natuur wel binnen onze kaders moet passen, en niet te veel ongemak moet veroorzaken. En die tegelijkertijd zeggen dat ‘de natuur zich wel herstelt’, en ‘de natuur altijd beweegt’, maar toch geen ruimte willen maken voor die natuur.
Rewilding is niet de oplossing voor onze natuurcrisis. Maar het is wel een nieuwe, optimistische manier van natuurbeheer, minder gefocust op een uitkomst en meer op het proces, die tot verrassende uitkomsten kan leiden. Laat de terugkeer van de wolf in Nederland een katalysator zijn voor een nieuwe manier van denken over de natuur: een natuur die ruimte opeist, die zichzelf reguleert, die verrast, en waar wij de juiste randvoorwaarden voor creëren. Minder tuinieren, meer wilde natuur.
Wat is natuur? (september 2023)
Het is een veelgehoorde uitspraak als je je hard maakt voor het beschermen van de natuur in Nederland: “In Nederland hebben we geen natuur, alleen door de mens gemaakt cultuurlandschap”. Meestal heeft deze opmerking het doel om het verlies aan biodiversiteit en de noodzaak voor natuurbescherming te bagatelliseren. Als onze natuur toch geen echte natuur is, wat is dan de waarde van die natuur en de soorten die daarbij horen? Waarom zouden we iets in stand houden wat ontstaan is door menselijke activiteit? In feite is natuurbeheer in Nederland gewoon tuinieren, het creëren van ‘wensnatuur’.
Vaak komt er dan een voorbeeld van échte natuur achteraan. Het Amazone regenwoud bijvoorbeeld, of, dichter bij huis, de bergen in Noord-Engeland en Schotland. Dát is pas wilde, onaangetaste natuur!
Tja. In de Amazone vond de overgang van voornamelijk jagen en verzamelen naar structurele landbouw plaats rond 4000 jaar geleden. We kunnen die menselijk invloed terugzien in de bodem, in de vorm van bijzonder rijke, zwarte aarde in deze van nature voedselarme en zure tropische bodems: de terra preta. Deze vruchtbare grond is het resultaat van het veel en langdurig toevoegen van allerlei resten van menselijke activiteiten aan de bodem. Maar die menselijke invloed is ook terug te zien in de vegetatie: het regenwoud huisvest meer gedomesticeerde soorten rondom locaties die getuigen van menselijke invloed vóór de Europese kolonisatie. Tot zover ongerepte natuur.
De Engelse en Schotse bergen dan? Het Noord-Engelse Lake District, waar ik tien jaar bij in de buurt heb gewoond, was bedekt met uitgestrekte eikenbossen tot de grootschalige ontbossing voor houtwinning en om het terrein geschikt te maken voor begrazing door schapen tussen 1300 en 1750. Die kale, ruige bergen met die pittoreske muurtjes? Eigenlijk is het een ecologische woestijn, waarvan de destructie door overbegrazing nog gesubsidieerd wordt ook. Grote delen van Schotland waren bedekt met Atlantisch regenwoud. De ongekende schoonheid en diversiteit van deze ecosystemen is weg, op een paar kleine stukjes na. Tegelijkertijd zijn door traditioneel hooilandbeheer in Noord-Engeland de prachtigste soortenrijke grasland ontstaan – met soms wel 50 soorten per vierkante meter steken ze tropisch regenwoud bijna naar de kroon.
Dan dringt zich de vraag op: wat is natuur? Want échte wilde, door de mens onaangetaste natuur, die bestaat niet. Maar betekent dat dat er geen natuur meer bestaat? Natuurlijk niet. Alles is natuur, van het onkruid tussen de stoeptegels tot het Amazone regenwoud. Er zijn gradaties van de menselijke beïnvloeding, die vaak heel duidelijk is, maar soms lastig te zien. Het feit dat een bepaald type natuur door de mens is gemaakt is geen argument om die natuur dan maar niet te beschermen. Wél belangrijke argumenten voor natuurbescherming zijn hoe uniek die natuur is, of er veel of bijzondere soorten voorkomen die bedreigd zijn, we elders niet hebben, of ervoor zorgen dat er weer andere soorten of processen kunnen voorkomen. Hoe moeilijk het is om die natuur te herstellen, en wat voor andere functies die natuur kan hebben. In Nederland hebben we dus wel degelijk natuur die het beschermen waard is!
Leren van het landschap (juli 2023)
Sinds 2019, toen de Raad van State uitspraak deed over de Programmatische Aanpak Stikstof, zit Nederland in een stikstofcrisis. Een juridische stikstofcrisis welteverstaan, want de ecologische stikstofcrisis was er al tientallen jaren. Maar nu er activiteiten stopgezet worden omdat ze stikstofuitstoot veroorzaken, ervaren we voor het eerst de gevolgen van het nietvoldoende aanpakken van die crisis. Ja, de stikstofuitstoot is gehalveerd sinds de jaren ‘90, maar na jarenlang gemiddeld veertig kilogram per hectare komt er nog steeds gemiddeld twintig kilo per hectare neer in Nederland. Al tientallen jaren krijgen veel ecosystemen meer stikstof uit de lucht dan ze kunnen verstouwen. De gevolgen daarvan kunnen we zien met onze blote ogen: vergrassing van de heide, vergrassing en boomopslag van veengebieden, kwijnende eikenbomen op de Hoge Veluwe, en het verlies van bijzondere planten- en insectensoorten.
Hoewel we de gevolgen van stikstofdepositie zo duidelijk kunnen zien en er weinig onderwerpen zijn die zó veel bestudeerd zijn en waarvan we de mechanismen zo goed begrijpen, zijn er nog steeds mensen die het negatieve effect van stikstof op de natuur in twijfel trekken. Helaas wordt er verassend weinig onderzoek gedaan naar hoeveel stikstofdepositie waar precies in Nederland neerkomt, welke effecten die neerslag precies heeft, en de precieze oorsprong van die stikstof. Desondanks is het duidelijk dat de stikstofdepositie in Nederland te hoog is en dus moet worden verminderd. De vraag is niet óf stikstofdepositie een negatief effect heeft op de natuur.
De vraag is, hoeveel is het ons waard om bepaalde, zeer stikstofgevoelige natuur te beschermen. Ik als ecoloog scherm dan vaak met drie dingen. Eén: de natuur is de basis onder het functioneren van onze wereld. Twee: soorten hebben het recht om te bestaan (en wij dus de plicht om zorg voor ze te dragen). Drie: we hebben in allerlei internationale verdragen afgesproken dat we de natuur beschermen.
Toch komen tegenstanders van het huidige beleid ook met redelijke argumenten. Waarom moeten we hier, in Nederland, koste wat het kost bepaalde natuur beschermen terwijl die elders in Europa ook voorkomt? En waarom moeten we koste wat het kost voedselarme natuur die vaak gecreëerd is door de mens, beschermen? Het is te makkelijk om deze vragen af te wimpelen vanuit morele superioriteit. Voor starters op de woningmarkt betekent de huidige crisis dat het nog moeilijker wordt een huis te vinden, voor boeren dat ze niet zeker zijn van het voortbestaan van hun bedrijf, en voor bedrijven dat ze niet kunnen doorgaan met hun activiteiten, activiteiten die ironisch genoeg soms juist de natuur beschermen of het klimaat minder belasten. De discussie wordt beheerst door aan de ene kant natuurliefhebbers die roepen dat de natuur op omvallen staat, en aan de andere kant door sceptici die roepen dat meeuwen en kraaien achter de mestkar ook natuur zijn. Waar is de échte discussie? Is er plaats voor stikstofgevoelige natuur in Nederland, en kan die samengaan met het behoud van veehouderij, in gekrompen en aangepaste vorm? Ik denk van wel, maar dat vereist visie. Als we wat vaker zouden luisteren naar het landschap en de bodem,leren we waar wat kan en vooral: waar wij onze plek moeten kennen.
Onder het maaiveld (mei 2023)
De film Onder het maaiveld biedt een uniek inkijkje in de wondere wereld van het leven in de bodem. Nu heb ik als bodemecoloog wel de nodige bodembeestjes gezien, maar toch raakte ik ondersteboven van de waanzinnig mooie beelden van schimmels, bacteriën, slijmzwammen, springstaarten, nematoden, miljoenpoten en regenwormen in actie in hun natuurlijke biotoop, op een magische manier zichtbaar gemaakt. Een wereld die we zelden met onze blote ogen kunnen aanschouwen, terwijl die altijd verborgen ligt onder onze voeten.
Nu schrijf ik hier regelmatig over bodembiodiversiteit. Zo regelmatig, dat ik me afvroeg of het misschien een beetje te veel wordt. Maar meteen dacht ik, dat we dat nooit zouden zeggen over bovengrondse biodiversiteit. En de wereld onder onze voeten is minstens net zo mooi, net zo divers, en misschien wel belangrijker dan de wereld boven het maaiveld. En we weten er veel minder van.
We kennen nu rond de 5.487 van de ongeveer 5.500 soorten zoogdieren, 9.990 van de 10.000 vogelsoorten, en 297.857 van de geschatte 390.800 soorten planten. Vergelijk dat met 8.500 van de vermoedelijk 50.000 soorten springstaarten, 25.000 nematoden van de geschatte 1 tot 10 miljoen soorten, 97.000 soorten schimmels van een geschat totaal tussen anderhalf en 5 miljoen, en 15.000 bacteriën van in totaal meer dan een miljoen soorten. Dan is het duidelijk dat we echt maar een fractie kennen van wat er onder onze voeten leeft.
Als we het hebben over hoe slecht het gaat met de biodiversiteit, dan hebben we het dus over bovengrondse diversiteit – die wordt goed bijgehouden en gemonitord. Onder de grond kennen we niet alleen nog maar een fractie van de soorten, we weten zo goed als niks over trends in de tijd. Maar neemt de ondergrondse biodiversiteit even sterk af als de bovengrondse.
Waarom? Omdat veel van de oorzaken van de afname van bovengrondse diversiteit in de bodem beginnen. Denk veranderend landgebruik, waarbij de bodem omgeploegd wordt en vegetatie verwijderd. Denk aan klimaatverandering. Droogte, extreme regenval en hoge temperaturen beïnvloeden de hoeveelheid water in de bodem die beschikbaar is voor bodemorganismen en planten, en beïnvloeden daarmee de samenstelling van plantengemeenschappen, en de dieren die afhankelijk zijn van die planten. Vervuilende stoffen komen via de bodem terecht in de voedselketen, en ook de effecten van stikstofdepositie beginnen in de bodem.
Tegen de tijd dat we de gevolgen van deze verstoringen bovengronds zien, is er ondergronds dus al heel wat gebeurd. Waarschijnlijk sterven er ondergronds regelmatig soorten uit die we nog niet eens ontdekt hebben. Maar die biodiversiteit monitoren we niet, ook niet in Nederland. Onder het maaiveld geeft een zeldzaam inkijkje in de ondergrondse wereld. Ik pleit ervoor dat we die structureel gaan monitoren, zoals we ook doen voor bovengrondse biodiversiteit.
Het bodemleven is de grond onder de bosaanplant (maart 2023)
In 2030 moet er in Nederland 37.000 hectare extra bos zijn aangeplant. Dat is niet alleen goed voor de biodiversiteit en belangrijk voor het welbevinden van veel Nederlanders, maar ook cruciaal om de doelen van het Klimaatakkoord te halen door extra vastlegging van CO2. Ondanks het relatief kleine aandeel bos in Nederland – 8% in 2018 – zorgt dat bos wel voor maar liefst 51% van de totale koolstofvastlegging door ecosystemen in Nederland. Koolstof – de C in CO2 – die vastgelegd wordt, niet alleen in levende biomassa zoals stam, bladeren, en wortels, maar ook als dode en verteerde biomassa in de bodem, na verwerking door bodemorganismen zoals regenwormen, springstaarten, bacteriën en schimmels. De hoeveelheid koolstof in bodemorganische stof overtreft niet alleen de hoeveelheid in levende biomassa, maar is ook langer vastgelegd: koolstof in de bodem kan wel 100 tot 200 jaar vastgelegd zijn, terwijl de koolstof in levende biomassa beperkt wordt door de leeftijd van de boom en vaak maar rond de 10 tot 40 jaar vastgelegd is.
Hoewel we met geavanceerde apparatuur goed kunnen meten hoeveel CO2 een bos in totaal opneemt en uitstoot, begrijpen we nog niet helemaal waar de koolstof die een boom opneemt precies terecht komt en wat dat betekent voor hoe lang die vastgelegd wordt. Dat is belangrijk om te weten, omdat de verschillende vormen waarin de koolstof vastgelegd wordt bepaalt hoe kwetsbaar die is voor verstoring. Verstoringen zoals hitte, droogte, brand, storm, en uitbraken van ziekten en plagen, die in de toekomst steeds vaker gaan voorkomen als gevolg van klimaatverandering, kunnen de hoeveelheid koolstof die een bos opslaat flink verminderen. Omgevingsfactoren – topografie, waterhuishouding, bodemeigenschappen – en beheer zijn belangrijk voor hoe goed bomen tegen deze verstoringen kunnen. Het natuurlijk laten regenereren van bossen wordt over het algemeen als beter gezien dan het grootschalig aanplanten, omdat aanplanten de bodem verstoort, waardoor de koolstof die daar inzit verloren kan gaan. Bovendien zorgt natuurlijke regeneratie ervoor dat lokaal aangepaste boompopulaties teruggroeien.
En dan kom ik toch weer bij het bodemleven terecht – ik ben tenslotte een bodemecoloog – want het bodemleven is niet alleen direct belangrijk voor de vorming van stabiele koolstof in de bodem, maar ook indirect, doordat het de groei van bomen beïnvloedt. Mycorrhizaschimmels, dat zijn schimmels die samenwerken met plantenwortels en de plant helpen om voedingsstoffen op te nemen, kunnen ervoor zorgen dat bomen beter ontkiemen en groeien. Maar dat niet alleen, ze zorgen er ook voor dat bomen beter tegen droogte kunnen en dat er meer koolstof wordt vastgehouden in de bodem. Dat werkt vooral goed als zowel de schimmels als de bomen lokaal aangepast zijn – eigenlijk kennen ze elkaar dan al. Nederlands veldonderzoek laat zien dat heideplanten beter teruggroeien als je bodemorganismen uit een nabijgelegen, onverstoord heideveld uitstrooit. En daar lopen we tegen een probleem aan. Want we zijn in Nederland niet echt vriendelijk voor onze bodemschimmels: stikstofdepositie, bemesting, ploegen, en fungiciden bedreigen schimmels en hun functioneren.
Het klimaatrobuust maken van de nieuw aan te planten bossen staat hoog op de agenda, en er is gelukkig veel aandacht voor de randvoorwaarden waaronder deze bossen optimaal tot ontwikkeling kunnen komen. Maar voor het bodemleven is nog steeds weinig aandacht, terwijl dat wel eens de sleutel zou kunnen zijn voor het slagen van nieuwe, klimaatrobuuste bossen.
Hardlopen in de natuur (januari 2023)
Een paar weken geleden deed ik mee met een trailloop door de Schoorlse Duinen – een Natura2000 gebied. Het was een fantastisch, goed georganiseerd evenement, het was prachtig weer, ik liep lekker, en ik genoot van de natuur en vooral van de explosie aan paddenstoelen. Het is geen geheim dat ik een hardloper ben, en dat ik dat het liefst doe over onverharde paden in een mooie omgeving. Bij voorkeur in de bergen (ik heb jarenlang in Noord-Engeland gewoond), maar bij gebrek daaraan zijn in Nederland de Utrechtse Heuvelrug, de duinen, en Zuid-Limburg een mooi alternatief. Tenminste, dat dacht ik… tot ik na terugkomst in Nederland steevast commentaar kreeg als ik hierover vertelde, en zelfs de Twitter hashtag #NietSportenInDeNatuur tegenkwam. Ik ben een ecoloog en een groot voorstander van natuurbescherming, maar waar ligt de grens van wat wel en niet in de natuur mag? Natuurlijk verstoren mensen de natuur, maar tegelijkertijd vergroot recreatie in de natuur ons welbevinden. Mag je alleen schuifelend en in stilte van de natuur genieten?
Ik kom alleen op de paden en niet in gedeeltes waar ik niet in mag, ga zelden met de auto, en uiteraard laat ik nooit afval (of toiletpapier!) achter. Ik ben me er terdege van bewust dat ik de natuur verstoor als ik er doorheen ren – toch laat ik me hier niet door weerhouden. Waarom? Omdat in stilte door de natuur hardlopen het grootste geluk is. Het zachte geluid van je voetstappen, je adem in je oren, en de mogelijkheid van een onverwachte ontmoeting met een hert, bijzondere vogel, of prachtig uitzicht. Het gevoel dat je één bent met je omgeving – soms voelt het zo groot dat ik bijna ontplof. Ik kán gewoon niet zonder. En ik heb in Engeland nooit het gevoel gehad dat ik een zonde beging.
Waar zit ‘m het verschil? Engeland is groter, minder dicht bevolkt, en heeft enorme uitgestrekte natuurgebieden met weinig paden, waar je soms de hele dag niemand tegenkomt. Waar je nooit zou gaan hardlopen zonder regenjas, kaart, kompas, fluitje en droge kleding, omdat je nooit weet wat er gebeurt. Vergelijk dat met het Nederlandse landschap: snippers natuur met een fijnmazig netwerk van paden, altijd een weg of dorp in de buurt, en waar je elke paar meter struikelt over een wandelaar, hond, mountainbiker, of hardloper, een groep Nordic walkers, of een picknickende familie.
Toch hebben we prachtige, kwetsbare, beschermde natuur in Nederland – en die kwetsbaarheid is een direct gevolg van onze beperkte ruimte en hoge bevolkingsdichtheid. Moeten we die natuur afsluiten voor wandelaars en hardlopers? Of voor luidruchtige groepen, kinderen, rolstoelers? Waar ligt de grens? Moet kwetsbare natuur überhaupt toegankelijk zijn?
Eén grens die mij heel duidelijk is, is dat we geen grote evenementen moeten organiseren in beschermde natuur. Geen massale hardloopwedstrijden, geen concerten, geen films, geen festivals. Natuurlijk hebben mensen een individuele verantwoordelijkheid, maar door dit soort evenementen te organiseren geef je eigenlijk aan dat de natuur maar een decor is, en geen serieuze bescherming waard. Ik denk voortaan twee keer na voordat ik me weer inschrijf voor een grote trailloop. Maar stoppen met hardlopen in de natuur? Dat nooit.
Saamhorigheid door veldwerk (december 2022)
Vorige week was ik op veldcursus met de studenten van mijn vak ‘Plant-bodem interacties’. Een hele week in het veld om bodems en vegetatie te leren classificeren, waarbij we allemaal, studenten en docenten, in een kampeerboerderij in Zevenaar sliepen. (Nou ja, de studenten op slaapzalen en de docenten in een privékamer, gelukkig.) We maakten lange dagen: om 9 uur ’s ochtends stonden we, bij een temperatuur van 13 graden en in horizontale regen, in het veld bodemprofielen te steken en op onze buik plantjes te determineren, en om 10 uur ‘s avonds stopten we met het uitwerken van velddata en het determineren van meegenomen plantjes.
Een superintensieve week dus. Het mooie van zo’n week is dat je de studenten letterlijk ziét leren. Als ze aan het begin van de week een vegetatieopname doen waarbij er aardig wat gras in de plot staat, noteren ze “60% gras” en valt hun mond open als je vertelt dat er meer dan één soort gras is. Aan het eind van de week komen ze met intacte exemplaren naar je toe om de oortjes, lipjes, en groefjes in het blad te bekijken, en zo de soort te determineren. Ze leren kijken naar de bodem, en aan het eind van de week kunnen ze inspoelings- en uitspoelingslagen van elkaar onderscheiden, gley-verschijnselen, klei- en dekzandlagen, en interpreteren hoe die gevormd kunnen zijn. Al deze dingen hebben ze al geleerd in de collegebanken de weken ervoor, maar het kwartje valt pas echt als ze het zelf zien en voelen. Er gaat een wereld voor ze open, en er is als docent niks fijners dan het kwartje te zien vallen en het enthousiasme te zien groeien.
Maar er gebeurt nog iets tijdens zo’n week. Doordat studenten en docenten zo intensief samen bezig zijn, met elkaar in het veld staan in weer en wind, samen eten en ’s avonds een biertje drinken, verdwijnt de kloof. De docent staat niet voor de klas, de student zit niet anoniem in de collegezaal. De hele week trekken we met elkaar op en praten we over planten, bodems, ecosystemen, en landschappen, maar ook over allerlei andere dingen. We leren elkaar kennen, en komen erachter dat we allemaal mensen zijn, met eigenaardigheden, humor, hobby’s, en soms ook problemen. En, als ik dan na die week weer voor de klas sta in de collegezaal, blijft dat. We kennen elkaar, en het voelt makkelijker om de studenten te boeien en bij de les te houden. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor docenten en studenten. Dit geldt ook voor boeren en natuurbeschermers, stedelingen en plattelandsbewoners, links en rechts. Als je elkaar leert kennen, als je inziet dat de ander ook een mens is, die van lekker eten houdt, van film of muziek, van hardlopen, die kinderen heeft, een moestuin, twijfels, een ziekte, of een naaste met een ziekte… dan is het veel moeilijker om elkaar voor rotte vis uit te maken, en makkelijker om begrip voor elkaar op te brengen. In gesprek gaan en naar elkaar luisteren is een voorwaarde om gemeenschappelijke waarden te ontdekken, en gemeenschappelijke waarden zijn nodig om tot oplossingen te komen van ingewikkelde problemen, zoals bijvoorbeeld klimaatverandering of de stikstofcrisis.
De schimmels onder onze voeten (september 2022)
Afgelopen week kwam er een studie uit die laat zien dat het gebruik van pesticiden niet alleen negatieve effecten heeft op de diversiteit en het vóórkomen van mycorrhiza-schimmels, maar ook op hoe goed die schimmels voedingsstoffen doorgeven aan de plant. Mycorrhiza-schimmels zijn bodemschimmels die samenwerken met plantenwortels: planten geven suikers aan deze schimmels, en in ruil geven de schimmels voedingsstoffen, zoals fosfor en stikstof, terug aan de plant. Deze samenwerking is meer dan 400 miljoen jaar oud, en is een drijvende kracht achter het succes van landplanten, die toen ze voor het eerst verschenen nauwelijks wortels hadden. Nee, het waren de schimmels die de plant voorzagen van voedingsstoffen, door zuren uit te scheiden in de rotsbodem. Een bij-effect van deze samenwerking was de vorming van bodems, en het dalen van de destijds zeer hoge CO2 concentraties in de atmosfeer.
Nog steeds werken bijna alle planten samen met deze schimmels. Maar ondanks het belang van deze schimmels voor het functioneren van ecosystemen weten we veel minder over deze bodemorganismen dan over bovengrondse biodiversiteit. De afgelopen jaren is de interesse voor deze enigmatische organismen sterk toegenomen, en we komen steeds meer te weten. Schimmeldraden in de bodem kunnen beslissingen maken gelijk aan neurale netwerken, ze communiceren met planten via complexe chemische signaalstoffen, een van de grootste levende organismen op aarde is een bodemschimmel, we kunnen schimmelbiomassa verwerken tot textiel of bouwmateriaal, schimmels leveren tot wel 80% van de voedingsstoffen die planten nodig hebben, en ze kunnen helpen om ecosystemen beter bestand te maken tegen klimaatverandering.
We weten al dat bijvoorbeeld stikstofdepositie slecht is voor deze schimmels. Dat het gebruik van pesticiden ook slecht is voor mycorrhiza-schimmels is geen goed nieuws, want in bijna alle bodems – niet alleen landbouwbodems – zijn tegenwoordig pesticiden te vinden, en het kan lang duren voordat die helemaal verdwenen zijn.
Ik las dan ook met verbazing de reactie van een paar gerespecteerde landbouwkundigen op twitter. Hun eerste vraag was: heeft het verminderde functioneren van mycorrhiza-schimmels effect op de landbouwkundige opbrengst? Zo nee, waar heb je het dan over?
Deze reactie past in een lange traditie van wetenschappers om het belang van bodembiodiversiteit volledig in dienst te stellen van het functioneren van de bodem – liefst een landbouwbodem. Lange tijd was dit de enige manier om bodembiodiversiteit op de kaart te zetten. Die bodembeestjes zijn zeker belangrijk voor het functioneren van de bodem, maar in een bodem die bemest en geploegd wordt hebben ze inderdaad vaak weinig toe te voegen. Toch leren we steeds meer over de functies van het bodemleven, en er zijn voldoende aanwijzingen dat dat bodemleven wel eens veel belangrijker zou kunnen zijn in bodems die niet optimaal functioneren – een scenario waar we stiekem hard naar op weg zijn. Afgezien daarvan, is biodiversiteit er niet alleen voor ons. Bij de teruggang van de grutto vragen we ons ook niet af of die wel belangrijk is voor het functioneren van het systeem.
Laten we de bodem niet langer met dedain behandelen, en laten we de negatieve effecten van ons handelen niet bagatelliseren. Laten we ervoor zorgen dat we de immense rijkdom van het bodemleven niet verliezen voordat we haar begrijpen. We zouden weleens veel afhankelijker kunnen zijn van dat bodemleven dan we denken.
De complexiteit van stikstofdepositie (juli 2022)
In juni werd de startnotitie voor de reductie van stikstofdepositie en de verbetering van de natuurkwaliteit gepresenteerd. Een belangrijke gebeurtenis voor de Nederlandse natuur, de Nederlandse boeren, ja, eigenlijk voor iedereen in Nederland. Op RTL Z vertelde ik waarom die stikstofdepositie slecht is voor de natuur. Wat fijn dat zo’n nieuwszender een expert vraagt uit te leggen op wat voor manier de natuur reageert op een overmaat van stikstof! Want zo’n uitleg is hard nodig. Net als bij klimaatverandering is er een continue stroom desinformatie over de effecten van stikstofdepositie: hoezo is stikstof slecht voor de natuur – planten gaan er toch juist beter van groeien?!
Ik mocht daar dus iets over vertellen, in, en nu komt ie, drie minuten. In die drie minuten moest ik ook nog vertellen hoe ik dacht dat dit probleem opgelost moet worden. Drie minuten om een uitzonderlijk complex probleem uit te leggen. Vergelijk dat met de uren die wetenschapsontkenners krijgen in praatprogramma’s.
De effecten op de natuur zijn niet zo simpel als ’we krijgen gewoon wat meer bramen en brandnetels’. Ze zijn ook niet zo simpel als eiken die minder gezond zijn, en koolmeesjes die hun pootjes breken. Chronische stikstofdepositie beïnvloedt alle interacties in onze ecosystemen. De effecten beginnen in de bodem, waar stikstofdepositie niet alleen voor een hogere beschikbaarheid van stikstof zorgt, maar ook voor verzuring. De extra stikstof stimuleert niet alleen snelgroeiende planten, waardoor langzamer groeiende planten worden overschaduwd, maar verandert ook het bodemleven – de schimmels en bacteriën, aaltjes en springstaarten, die zo belangrijk zijn voor het functioneren van de bodem. Stikstof vermindert het voorkomen en de activiteit van bepaalde bodemschimmels, en als er zoveel stikstof beschikbaar is, investeren planten minder in wortelgroei en samenwerkingen met micro-organismen. Juist die samenwerkingen hebben ook andere functies, zoals het beschermen van planten tegen de effecten van droogte, het verbeteren van bodemstructuur, het in bedwang houden van woekerende planten, en het laten kiemen van bepaalde zaden. Omdat planten volop stikstof kunnen opnemen worden andere voedingsstoffen, zoals fosfaat, beperkend voor de groei. Maar de verzuring die plaatsvindt in de bodem als gevolg van stikstofdepositie zorgt er ook voor dat bepaalde voedingsstoffen uitspoelen. Planten gaan minder goed groeien en kunnen een tekort krijgen aan die voedingsstoffen.
Al deze veranderingen werken door op elkaar en in het hele ecosysteem – bovengronds en ondergronds. Het gevolg is niet alleen een verlies van soorten, maar ook een grotere gevoeligheid voor verstoringen zoals klimaatverandering of plagen, en een verminderde levering van de functies die wij als mensen belangrijk vinden, bijvoorbeeld het opnemen van CO2 uit de lucht. Uiteindelijk maken we onze omgeving minder leefbaar en minder weerbaar, en zijn wijzelf hiervan de dupe. Het is een complexe, en niet een leuke, boodschap, en waarschijnlijk één die u, als lezer van De Levende Natuur, al kent. Maar het is belangrijk dat iedereen die boodschap kent. En daar mag de media best wat meer aandacht aan geven dan drie minuten.
Diversiteit in de natuurbescherming (mei 2022 en mijn eerste column!)
Of ik een column in het oudste tijdschrift voor natuurbescherming van Nederland zou willen schrijven? Toen De Levende Natuur mij die vraag stelde hoefde ik niet lang na te denken. Ik houd van schrijven, ik houd van de natuur, en ik vind wel eens ergens iets van. Maar vooral voel ik me enorm vereerd om in een tijdschrift met zo’n rijke historie te mogen schrijven, en voor een publiek dat begaan is met de natuur.
Ik ben bodemkundige en ecoloog, dus ik begrijp veel van interacties tussen organismen in de bodem, planten, en bovengrondse dieren, en hoe die interacties beïnvloed worden door verstoringen. Maar ik heb tien jaar in Engeland gewoond en gewerkt, en ben dus wel een beetje uit de Nederlandse natuurbeschermingswereld geraakt. Voordat ik aan dit avontuur begin, dacht ik, is het handig om mezelf wat beter in te lezen.
Wat valt op als je leest over de geschiedenis van de natuurbescherming in Nederland? Of laat ik het zo zeggen: wat valt mij op, want misschien valt het u helemaal niet op. In het ontstaan van de Nederlandse natuurbescherming en de popularisatie van veldbiologie spelen vrouwen bijna geen rol. Maar ook hedendaagse boeken over natuurbescherming zijn eigenlijk allemaal geschreven door mannen. Toen ik op twitter specifiek vroeg om tips voor boeken die gaan over het denken over de Nederlandse natuur, kreeg ik 53 boeken die door mannen geschreven zijn, en 14 boeken die door vrouwen geschreven zijn. En dat viel me trouwens nog mee, want als ik om mee heen kijk – in de media, op twitter, als sprekers op symposia – dan zie ik echt heel weinig vrouwen in de natuurbeschermingswereld. Om nog maar niet te spreken over mensen van kleur.
Is dat een probleem? Ja, want de discussie over hoe wij de Nederlandse natuur zien, waarderen, en beheren wordt dus gevoerd door een select en weinig divers groepje, en dat is nooit goed voor een discussie. Daarbij zijn rolmodellen belangrijk! Als je nooit iemand in een bepaalde rol of omgeving ziet die net zoals jij is, krijg je impliciet de boodschap “deze wereld is niet voor jou”. En dat versterkt de selectie voor dat weinig diverse groepje weer.
Als je naar buiten gaat, de natuur in, dan wordt het er niet beter op. Hoeveel mensen van kleur komen er in natuurgebieden? We zijn zo niet gewend aan het zien van bepaalde mensen in de natuur, dat als we ze wel zien, we er soms zelfs van uit gaan dat ze iets kwaads in de zin hebben. Zo belde in de VS een witte vrouw de politie toen een zwarte vogelaar haar vroeg om haar hond aan te lijnen. Dichter bij huis worden groepen mensen van kleur ook vaak argwanend bekeken – genieten zij wel op de juiste manier van de natuur?
Talloze onderzoeken wijzen uit dat tijd in de natuur doorbrengen goed is voor onze geestelijke gesteldheid. Sterker nog, kinderen die veel tijd in de natuur doorbrengen groeien op tot volwassenen die de natuur meer waarderen, en die duurzamer en natuurvriendelijker gedrag vertonen. Ik denk dat we alles op alles moeten zetten om een diversere groep mensen betrokken te krijgen bij het natuurbeheer. De druk op de natuur is nog nooit zo groot geweest als nu, en we hebben alle stemmen nodig om bij te dragen aan de discussie over natuurbescherming.